Abvakabo FNV. Je werk is het waard

Overheid  

noodklok

Zelf schadelijk geluid meten met de FNV Decibelmeter

Meer dan een half miljoen mensen hebben dagelijks te maken met schadelijk geluid op hun... Lees verder

 

Veelgestelde vragen

Volgens de CAR-UWO kan iemand (gedeeltelijk) worden ontslagen wegens

 

  • Opheffing van zijn betrekking;
  • Verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waar hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen;
  • Verminderde behoefte aan arbeidskrachten.

Dit ontslag wordt eervol verleend.

 

Op ontslag wegens reorganisatie zijn sinds 1 juli 2008 de nieuwe voorzieningen bij werkloosheid van toepassing. Deze voorzieningen zijn gericht op het vinden van nieuw werk. Om werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen, zetten de werkgever en de medewerker zich samen in voor het vinden van een nieuwe baan voor de medewerker. De nieuwe voorzieningen bestaan uit een deel rechten en verplichtingen vóór de daadwerkelijke ontslagdatum (de re-integratiefase) en een deel rechten en plichten nadat het ontslag is ingegaan

 

De werkgever kan je alleen ontslaan op grond van deze redenen volgens een vooraf vastgesteld plan, een zogenaamd reorganisatieplan. Over dit plan wordt overleg gepleegd in de commissie georganiseerd overleg. Het plan wordt aan de betrokken medewerkers meegedeeld. Als het gaat om individuele gevallen kan een medewerker ook worden ontslagen zonder dat daar een reorganisatieplan aan ten grondslag ligt.

 

Ontslag wegens reorganisatie kan alleen plaatsvinden als vastgesteld is dat de functie van betrokkene na de reorganisatie niet terugkomt of als duidelijk is dat de betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de vijf beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen terugkeren. Als op dat moment (het moment dat het ontslagbesluit genomen wordt) ook geen andere passende functie beschikbaar is, kan het ontslagbesluit worden genomen.

Dienstreizen moet je in principe altijd met het openbaar vervoer maken. Als je de betalingsbewijzen aan je leidinggevende overhandigt, krijg je de reiskosten vergoed. Als je een dienstreis niet per openbaar vervoer kan maken, moet je leidinggevende je voor die reis dienstvervoer ter beschikking stellen. Ook kan je leidinggevende toestemming geven om gebruik te maken van je eigen vervoermiddel. In dat geval bedraagt de vergoeding 0,37 euro per kilometer.

De regeling voor woon-werkverkeer is in hoofdlijnen als volgt:

  • Als je met je fiets naar je werk gaat, krijg je een vergoeding van 0,17 euro per kilometer, met een maximum van 341,42 euro per maand.
  • Als je met het openbaar vervoer reist, heb je recht op een vergoeding OV tweede klasse.
  • Als je werkplek niet per openbaar vervoer te bereiken is, ontvang je een vergoeding van 0,17 euro per kilometer, met een maximum van 341,42 euro per maand.
  • Als de werkplek wel per openbaar vervoer te bereiken is, maar je kiest voor eigen vervoer, krijg je een vergoeding 0,06 euro per kilometer, met een maximum van 51,28 euro per maand.
In artikel van het 71b ARAR is vastgelegd dat de rijksambtenaar die ten minste drie jaar een (vergelijkbare of zelfde) functie heeft verricht eens in de vijf jaar recht heeft op een professionele en vertrouwelijke loopbaanscan. Bovendien moet je leidinggevende ieder jaar een loopbaangesprek met je houden onder andere over je persoonlijke ontwikkeling en je loopbaanwensen. Voor een opleiding die past binnen vastgestelde loopbaanafspraken tussen jou en je leidinggevende krijg je volledige vergoeding van de met de studie gemoeide kosten en 50 procent betaald verlof voor de tijd die nodig is om lessen te volgen, stages te lopen en examens te maken (art. 59 ARAR).
Standaardregel is dat het verlof opgenomen wordt over een aansluitende periode van 12 maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld wordt. Je blijft daarbij een gedeelte van de week werken. Het is mogelijk een andere spreiding van het verlof af te spreken, bijvoorbeeld 6 maanden volledig verlof of opsplitsing van het verlof over maximaal 3 perioden van minimaal een maand. Een verzoek om ouderschapsverlof op te nemen op een andere manier dan de standaardregel moet door de werkgever worden goedgekeurd, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich tegen de voorgestelde spreiding verzet.

Met ingang van 1 januari 2009 is het verlof verlengd van 13 keer de arbeidsduur per week naar 26 keer de arbeidsduur per week per kalenderjaar.

Dus: Als je 36 uur per week werkt, heb je recht op 26 x 36 uur = 936 uur verlof per kalenderjaar.
Maar wanneer je voor 1 januari 2009 al een deel van het ouderschapsverlof voor een kind hebt opgenomen, dan blijft daarvoor de oude regel van 13 keer de arbeidsduur per week gelden. Het verlof wordt dan niet uitgebreid naar 26 weken.

De P&O-afdeling van je eigen organisatie kan je dat vertellen. Let er wel op dat je het verlof minimaal twee maanden voordat je het verlof wilt laten ingaan, aanvraagt. Daarbij moet je aangeven:

  • hoeveel uren je per kind aan verlof wilt opnemen
  • hoe je de uren wenst te spreiden
  • (eventueel) in hoeveel perioden je het verlof wilt opdelen

Per kind tot 8 jaar heb je eenmaal recht op ouderschapsverlof. Bij bijvoorbeeld drie kinderen kun je drie keer verlof opnemen. Eventueel kun je het verlof gespreid opnemen.

Zie ook: Hoe zit het met ouderschapsverlof opnemen in het eerste dienstjaar?


Meer veelgestelde vragen