Bij de vaststelling van een bijstandsuitkering wordt allereerst gekeken of er onvoldoende geld is om van te leven. Er wordt onder andere gekeken naar:
inkomsten uit arbeid (zoals salaris) of die voortkomen uit salaris (zoals een WW-uitkering of heffingskortingen van de belastingdienst);
inkomsten van gezinsleden;
vermogen (spaargeld, een eigen huis, of een eigen huis in het buitenland);
alimentatie.
Eigen vermogen en bijstand:
Onder eigen vermogen valt niet alleen spaargeld, maar bijvoorbeeld ook een auto. Voor gezinnen is de grens € 10.901, voor alleenstaanden € 5455. Is je vermogen groter dan dit bedrag dan moet je eerst het meerdere opmaken, voordat je bijstand krijgt.
De waarde van het eigen huis valt ook onder het vermogen. Van deze waarde wordt maximaal € 46.100 buiten beschouwing gelaten. Als de waarde van het huis, verminderd met de al afgeloste hypotheek, meer is dan € 46100 kan de gemeente een bijstanduitkering toekennen op basis van een lening met uw huis als onderpand. In dat geval sluit de gemeente een zogeheten krediethypotheek af.
De vrijstellingsbedragen worden ieder half jaar opnieuw vastgesteld.
Je inkomen (en dat van je partner) speelt een rol bij het vaststellen van het recht op een uitkering en bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering. Het CWI kan je verdere informatie geven.