Veelgestelde vragen  

Sociale zekerheid

Bij de vaststelling van een bijstandsuitkering wordt allereerst gekeken of er onvoldoende geld is om van te leven. Er wordt onder andere gekeken naar:

inkomsten uit arbeid (zoals salaris) of die voortkomen uit salaris (zoals een WW-uitkering of heffingskortingen van de belastingdienst);

inkomsten van gezinsleden;

vermogen (spaargeld, een eigen huis, of een eigen huis in het buitenland);

alimentatie.

Eigen vermogen en bijstand:

Onder eigen vermogen valt niet alleen spaargeld, maar bijvoorbeeld ook een auto. Voor gezinnen is de grens € 10.901, voor alleenstaanden € 5455. Is je vermogen groter dan dit bedrag dan moet je eerst het meerdere opmaken, voordat je bijstand krijgt.

De waarde van het eigen huis valt ook onder het vermogen. Van deze waarde wordt maximaal € 46.100 buiten beschouwing gelaten. Als de waarde van het huis, verminderd met de al afgeloste hypotheek, meer is dan € 46100 kan de gemeente een bijstanduitkering toekennen op basis van een lening met uw huis als onderpand. In dat geval sluit de gemeente een zogeheten krediethypotheek af.

De vrijstellingsbedragen worden ieder half jaar opnieuw vastgesteld.

Je inkomen (en dat van je partner) speelt een rol bij het vaststellen van het recht op een uitkering en bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering. Het CWI kan je verdere informatie geven.

Iedere Nederlander moet zelf in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Lukt dat niet én zijn er geen andere voorzieningen, dan helpt de gemeente je met het zoeken naar werk. Totdat je werk gevonden hebt, kun je onder bepaalde voorwaarden een bijstandsuitkering krijgen.

In principe bestaat recht op uitkering als:

  • je rechtmatig in Nederland woont
  • 27 jaar of ouder bent.

Voor personen jonger dan 27 jaar bestaat geen zelfstandig recht op bijstand; hiervoor geldt de Wet WIJ (Wet Inpassing Jongeren) waarin geregeld is dat jongeren of werken of naar school gaan.

Als sociale partners de regeling verplichtend hebben afgesproken voor een hele sector wel.

Het tegengestelde is waar. Verhoging van de AOW-leeftijd gaat juist ten koste van jongeren. Degenen geboren na circa 1970 krijgen de volle leeftijdsverhoging voor de kiezen. De ouderen worden geheel of gedeeltelijk gevrijwaard. Jongeren worden bovendien dubbel getroffen omdat de AOW achterblijft bij de verdiende loonontwikkeling. De AOW is nu slechts circa 12.500 euro bruto per jaar. Dat is circa 25% van het gemiddeld verdiende inkomen. In 2035, als de 1975-generatie 60 jaar is, zal de AOW nog maar 22,5% van het gemiddelde verdiende loon bedragen.

Als freelancer bouw je wel pensioen op voor de AOW, maar niet voor een aanvullende pensioenregeling. Je bent namelijk niet in loondienst. Je opdrachtgevers zijn dus geen werkgevers en je valt niet onder pensioenregeling van die opdrachtgevers. Je zult zelfstandig maatregelen moeten nemen om een pensioenkapitaal op te bouwen.

Ja, als je werkgever een pensioenregeling heeft, mogen parttimers niet vanwege het werken in deeltijd van die pensioenregeling worden uitgesloten.

De Nederlandsche Bank (DNB) geeft aan dat 87% van de pensioendeelnemers, ofwel bijna 4,9 miljoen Nederlanders, lid zijn van een fonds met een dekkingsgraad onder de wettelijk vereiste minimumgrens van 105%. Slechts zo’n 82.000 Nederlanders, ofwel 1,5%, is aangesloten bij een pensioenfonds met een dekkingsgraad van meer dan 130%. De resterende circa 12% van de Nederlandse pensioendeelnemers valt onder een pensioenfonds met een dekkingsgraad tussen de 125% en 105%. Na de opleving van de beurzen en een stijging van de rente medio 2009 zijn een groot aantal pensioenfondsen weer hard op weg naar de vereiste dekkingsgraad van 105%.

Je zult een berekening moeten maken met je pensioenopbouw tot nu toe (eventueel bij vorige werkgevers) en je opbouw in de komende dienstjaren.. Pensioenfondsen zijn verplicht je eens per jaar een overzicht van je persoonlijke pensioenopbouw op te sturen. Meestal kun je deze ook tussentijds bekijken via de website van je pensioenfonds.

Bedenk dat een eventueel tekort in het pensioen niet alleen via een pensioenfonds of verzekeraar is aan te vullen. Je kunt ook in eigen beheer, door middel van spaargeld of effecten, een vermogen opbouwen dat als ‘buffer’ voor de periode aan het eind van je werkzaam leven kan dienen.

Structureel arrangement:
De FPU-uitkering is vervangen door een versterkt ouderdomspensioen, het keuze pensioen. De pensioenleeftijd is flexibel en deeltijdpensioen is mogelijk. In het keuzepensioen zijn de mogelijkheden tot het uitruilen van ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen zijn verruimd

In de cao’s zijn vaak nadere afspraken over levensloopsparen gemaakt. De levensloopregeling is een individuele regeling. Je kunt zelf beslissen of je aan de regeling deelneemt en wanneer je het opgebouwde tegoed wil aanspreken. De regeling heeft het financiële karakter van een spaarregeling.

Door een combinatie van een verhoogde opbouw van het ouderdomspensioen met  de levensloopregeling, is het voor werknemers bij overheid en onderwijs nog steeds mogelijk om tussen 62 jaar en 63ste  jaar met een acceptabel uitkeringsniveau uit te treden. Een gemiddelde werknemer met 40 dienstjaren kan met het versterkte ouderdomspensioen tussen de leeftijd van 62 jaar en 63 jaar een uitkering van circa 70% van zijn gemiddelde loon verwachten

Via “Mijn ABP” kan iedere deelnemer zijn eigen individuele pensioensituatie en de gevolgen van diverse keuze opties bekijken.

Overgangsmaatregelen
Voor mensen met een lopende FPU-uitkering die is ingegaan vóór 1 januari 2006 is de situatie ongewijzigd, voor hen geldt bovengenoemd arrangement niet.

Voor werknemers in dienst op 31 december 2005 en op dat moment 56 jaar of ouder zijn, geldt een regeling zoals de vervallen FPU-regeling. De spilleeftijd is met enkele maanden verhoogd. 

Voor werknemers in dienst op 31 december 2005 en op dat moment jonger dan 56 jaar geldt de “nieuwe” regeling. Voor hen geldt een overgangsregime dat is gericht op het overbruggen van de pensioenopbouw tot het niveau van de structurele regeling.

Ben je geboren vóór 1950, dan geldt een regeling die op de huidige FPU lijkt. Voorwaarde is wel dat je vanaf 1 april 1997 doorlopend in dienst bent geweest bij een werkgever aangesloten bij ABP. Je moet een aantal maanden langer doorwerken dan in de oude regeling om dezelfde uitkering te krijgen.

Ben je geboren voor 1 december 1944, dan hoef je niet twee of drie maanden langer door te werken voor dezelfde uitkering.

Ben je geboren op of voor 1 april 1947, dan krijgt je met 61 jaar en 2 maanden dezelfde uitkering als voorheen met 61 jaar. Ben je geboren na 1 april 1947 en voor 1 januari 1950, dan krijg je met 62 jaar en 3 maanden dezelfde uitkering als voorheen met 62 jaar.
Langer doorwerken voor 65 jaar levert onder de huidige regeling een steeds hogere FPU-uitkering op.

Per cao kunnen er voor bepaalde groepen aanvullingen op het FPU niveau zijn afgesproken zoals bij gemeenten. Vaak zijn er ook levensloopafspraken gemaakt waarvan het saldo naar eigen keuze ingezet kan worden voor het vroegpensioen.