Veelgestelde vragen  

Sociale zekerheid

De FNV en de andere vakcentrales hebben een onderhandelaarsakkoord gesloten met de werkgevers over de AOW en de aanvullende pensioenen. Dit zijn de afspraken in dat onderhandelaarsakkoord:

  • De AOW wordt vanaf 2011 welvaartsvast. De AOW-uitkering gaat sneller omhoog dan nu,
    door volledige koppeling aan de werkelijk verdiende lonen. Naar verwachting zal die extra
    verhoging jaarlijks tussen de 0,3 en 1% zijn.
    Dat is vooral belangrijk voor mensen met een laag inkomen, die vaak vroeg begonnen zijn met werken, vaak ook in een zwaar beroep. Voor hen blijft de AOW op ongeveer hetzelfde niveau als nu.
    Mensen die meer verdienen, krijgen iets minder dan nu, omdat ouderenkortingen en toeslagen minder worden. Mensen met lagere inkomens worden hierbij ontzien. Mensen met midden- en hogere inkomens zullen iets langer moeten werken om aan dezelfde AOW uitkering te komen.
  • De AOW wordt flexibel. Je kunt vanaf 65 jaar zelf kiezen wanneer je AOW wilt ontvangen. De AOW-normleeftijd gaat omhoog naar 66 jaar in 2020 en wordt daarna afhankelijk van de levensverwachting. Elke 5 jaar wordt gekeken naar de levensverwachting op dat moment. Mocht dat ertoe leiden dat er verhoging (of verlaging) van de AOW-normleeftijd plaatsvindt, dan gaat die verhoging pas 10 jaar later in. Er wordt dus in 2015 gekeken naar wat de AOW-normleeftijd in 2025 moet worden.
  • Kies je er voor om de AOW een jaar eerder te laten ingaan, dan krijg je levenslang een
    uitkering die 6,5% lager is. Gaat de AOW-leeftijd naar 67 jaar en wil je toch op 65 jaar de
    AOW in laten gaan, dan gaat je uitkering levenslang met 13,4% naar beneden.
    Toch kan iedereen desgewenst eerder de AOW-uitkering in laten gaan – ook de mensen die vroeg zijn begonnen met werken, mensen met een zwaar beroep of mensen met een laag inkomen – doordat de AOW-uitkering elk jaar meer waard wordt.
  • De gemiddelde levensverwachting neemt toe. Daardoor werden de pensioenen die je
    opbouwt via je werkgever automatisch steeds duurder. Je moest namelijk steeds meer in je spaarpot stoppen, omdat je over een langere periode een pensioenuitkering krijgt. Daardoor stegen de pensioenpremie zodanig dat we op dit moment gemiddeld één dag in de week werken voor onze oudedagsvoorziening.
    Nu hebben wij afgesproken dat die automatische stijging van de pensioenpremie stopt en dat je nu langer moet werken om hetzelfde pensioen te krijgen. Je kunt uiteraard – net als je dat op dit moment in veel pensioenregelingen ook al kan – eerder dan de AOW leeftijd met pensioen gaan, maar dat betekent wel dat je een lagere uitkering per maand krijgt.
  • De huidige belastingvoordelen bij het sparen voorje pensioen (Witteveenkader) blijven
    bestaan. Hierdoor blijven er mogelijkheden om eerder te stoppen. In de plannen van het
    kabinet was dat lastiger.
  • De vakbeweging houdt ruimte om per sector of bedrijf verder te onderhandelen over hoe het pensioen eruit komt te zien. Ze kan dus maatwerk leveren. In sectoren waar mensen een zwaar beroep hebben, geldt vaak ook een gemiddeld lagere levensverwachting. Juist daar gaat de FNV alle mogelijkheden benutten om de pensioenleeftijd zo laag mogelijk te houden.
  • De pensioenpremies worden stabiel. Dat is goed voor de koopkracht van werknemers en de werkgelegenheid.
  • Er wordt door sociale partners verder gesproken om te kijken of en hoe pensioencontracten aangepast moeten worden zodat de pensioenen schokbestendiger worden. Dit kan mogelijk de risico’s meer bij deelnemers leggen, zodat de pensioenuitkering meer afhankelijk wordt van de schommelingen op de financiële markten.
  • Om ook de oudere generaties mee te laten betalen aan de steeds maar langer wordende
    uitkeringsperiode, zal er bekeken worden of zij het langjarig zonder indexatie van hun
    pensioen moeten stellen. Dit zal afhankelijk zijn van de financiële positie van de verschillende pensioenfondsen. Op deze manier worden de lasten solidair verdeeld tussen jong en oud.
  • De sociale partners gaan in de zomer verder praten over een plan om de ouderenparticipatie te verbeteren en willen hierover in het najaar 2010 een akkoord sluiten.

Als gevolg van de vergrijzing en de stijgende levensverwachting genieten steeds meer mensen steeds langer van hun AOW-uitkering. De AOW-kosten lopen dus flink op. Echter, door de economische crisis heeft de overheid juist minder geld te besteden. Het vorige kabinet heeft de plannen om in te grijpen al naar de Tweede Kamer gestuurd. De plannen van de meeste politieke partijen zijn zelfs nog slechter. AOW op 65 wordt voor vrijwel iedereen onmogelijk als het aan de politiek ligt. Daarnaast kon je ook fors minder pensioen opbouwen door het kabinetsplan, omdat belastingvrij sparen voor pensioen flink werd beperkt.

Werknemers en werkgevers stonden voor de keuze: laten we het over aan de politiek of komen we met eigen voorstellen? Uiteindelijk hebben we besloten om zelf met afspraken te komen over AOW en aanvullend pensioen. Deze afspraken zijn gunstiger voor werknemers en gepensioneerden, omdat ze zorgen voor meer zekerheid op de lange termijn.

Winstpunt in het onderhandelaarsakkoord van vakbeweging en werkgevers is dat de AOW flexibel
wordt. Mensen kunnen, vanaf 65 jaar, zelf kiezen wanneer ze stoppen met werken. Bovendien wordt de AOW welvaartsvast: voortaan koppelen we de AOW aan de verdiende lonen en niet aan de contractlonen. Dat betekent dat de AOW-uitkeringen elk jaar stijgen met naar verwachting minimaal 0,3 en maximaal 1 procent extra. Het verdiende loon stijgt sneller, omdat promoties en periodieken meetellen. Deze koppeling is dus extra gunstig voor de mensen voor wie na hun pensionering de AOW het belangrijkste inkomen is.

De vakbonden hebben samen met werkgevers het beheer over het geld in de pensioenfondsen. We zitten met een probleem rond de huidige en toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen. We moeten steeds meer pensioengeld uitkeren omdat mensen steeds ouder worden. Geld dat eigenlijk niet gespaard is, omdat de enorme stijging van de levensverwachting niet goed was voorzien.

De premies willen we niet verder laten stijgen, want dat kost mensen teveel in koopkracht en
werkgelegenheid. Wanneer we nu niets doen en de pensioenen volledig met de welvaart willen laten stijgen, dan zouden we twee dagen per week moeten werken voor ons pensioen, met grote gevolgen voor de koopkracht van mensen.

Een andere belangrijke reden dat de pensioenen ook meegenomen zijn: het kabinet wilde óók gaan ingrijpen in de pensioenen. Bijvoorbeeld door bepaalde belastingvoordelen af te schaffen. Door deze plannen zouden met name mensen met een laag inkomen er zo op achteruit gaan, dat er geen enkele mogelijkheid zou zijn om toch op 65 de AOW-uitkering in te laten gaan en te stoppen met werken.

Door als sociale partners zelf met alternatieven te komen, willen we voorkomen dat het kabinet op ons terrein, de pensioenen, zou ingrijpen.

De pensioenfondsen zijn van, voor en door werknemers en werkgevers. Daar zit het spaargeld in dat is opgebracht door werkgevers en werknemers. Pensioenfondsen hebben net als nu de verplichting om de huidige en toekomstige gepensioneerden te betalen uit dit spaargeld.

Pensioenfondsen hebben dus geen mogelijkheid om bij te dragen (en ook nooit gehad). Zij kunnen slechts bijdragen door goede rendementen te behalen. Werkgevers hebben in die pensioenfondsen, waar bijstortingsverplichting is, bij een te lage dekkingsgraad nog steeds die verplichting. Uiteraard blijven de werkgevers ook net als nu betalen voor de pensioenregeling.

Daarnaast moeten we ons ook realiseren dat goede rendementen in het verleden in belangrijke mate de stijging van de levensverwachting van de afgelopen decennia al hebben gefinancierd. Daarnaast is de afgelopen jaren de pensioenpremie al gemiddeld met 50 procent toegenomen. De werkgever betaalt hier over het geheel genomen het merendeel van de kosten van.

De SP wil dat de AOW op 65 blijft en beweert dat het principe-akkoord over pensioen en AOW dat de FNV heeft gesloten met de werkgevers, slechter is dan de plannen die het kabinet heeft. Dat is niet waar. Je bent met het principe-akkoord dat wij hebben gesloten beter af. Dit omdat het een flexibel systeem is waarin je zelf kunt kiezen of je stopt met werken op 65, 66, eerder of later. De politiek wil de leeftijd waarop je de AOW kunt laten ingaan ook verhogen naar 66 jaar in 2020 en daarna in 2025 naar 67 jaar. In die plannen kun je er niet meer voor kiezen eerder te stoppen. In ons voorstel krijg je als je  eerder stopt een korting van 6,5%. Als je een jaar later stopt,  krijg je er 6,5% bij.

Dat is niet het geval bij de plannen van de politiek. Bovendien wordt de AOW hoger in ons plan door de koppeling aan de verdiende lonen (naar verwachting tussen de 0,3 en 1% per jaar extra vanaf 2011) en dat is in de politieke plannen ook niet het geval. Daarnaast geeft de SP aan dat er een sigaar uit eigen doos gegeven wordt door de koppeling aan de verdiende lonen te bekostigen door de ouderenkortingen en AOW-tegemoetkoming af te schaffen. Dat is onjuist. Er zal een geleidelijke aftopping plaatsvinden. Dit betekent dat het huidige budget bevroren wordt en dat vanaf de hogere inkomen steeds verder gekort wordt op deze kortingen en tegemoetkoming. Hierdoor blijft de ouderenkorting en de AOW-tegemoetkoming wel in stand voor de lagere inkomens, maar niet voor de hogere en midden inkomens. Door die flexibiliteit en door de hogere AOW kunnen juist de mensen die het het hardst nodig hebben - dus mensen met lage inkomens, mensen die vroeg begonnen zijn met werken, mensen in zware beroepen - toch eerder stoppen met werken met een AOW-uitkering die positief afsteekt tegen de kabinetsplannen.

Iedereen kan nu en in de toekomst met 65 de AOW-uitkering in laten gaan. Dat mag je zelf bepalen, vanaf 65 jaar. Wel gaat de AOW-normleeftijd in 2020 omhoog naar 66. Daarna vindt iedere vijf jaar een aanpassing plaats op basis van de nieuwste inzichten in de levensverwachting.

Op basis van wat we nu weten zal dat in 2025 waarschijnlijk al 67 jaar zijn, maar dat wordt 10 jaar van tevoren (dus in 2015) vastgesteld. In 2020 wordt er dan gekeken naar de levensverwachting in 2030 en als we met ons allen steeds maar ouder blijven worden, is het zelfs mogelijk dat de AOW-normleeftijd naar 68 gaat. Maar ook dan kan iedereen nog steeds op 65 een AOW-uitkering krijgen.

Net als nu kunnen mensen ook straks beslissen om eerder te stoppen met werken. Met 65 of zelfs nog eerder als je pensioenregeling dat mogelijk maakt. Dat staat in principe los van je AOW-uitkering, omdat de AOW voor alle mensen (werkende, maar ook niet-werkende) is. De AOW wordt flexibel, met 65 jaar als ondergrens. In 2020 gaat de AOW-normleeftijd omhoog naar 66.

Stoppen met 65 blijft ook daarna mogelijk. Net als bij vervroeging van pensioen krijg je jouw verdere leven een lagere uitkering als je eerder stopt dan de normleeftijd. De AOW is 6,5 procent lager voor ieder jaar dat de uitkering eerder ingaat. Maar door de extra verhoging van de AOW-uitkering is de koopkracht van de AOW-uitkering op 65 in 2020 nog steeds ongeveer vergelijkbaar met nu, zeker voor lager betaalden.

Op de website van Abvakabo FNV vind je een document waarin je precies kunt zien wat er gebeurt met de AOW-uitkering op het moment dat je rond 2020 en 2025 65 jaar wordt (zie op de website onder Thema’s – Onderhandelaarsakkoord AOW en Pensioen – Jouw AOW).

Ja, omdat je eerder dan de geldende normleeftijd de AOW-uitkering in wilt laten gaan, moet de
overheid jouw AOW-uitkering langer uitbetalen. Dat wordt betaald door je maandelijks een 6,5 procent lagere AOW-uitkering te geven. Daarom krijg je per maand iets minder. Maar omdat de jaarlijkse verhoging straks gekoppeld is aan de werkelijk verdiende lonen en niet aan de cao-lonen zoals nu het geval is, wordt de korting naar verwachting voldoende gecompenseerd.

Nee, niet allemaal. We leven met z’n allen steeds langer. Met als gevolg dat pensioenfondsen steeds langer moeten uitkeren, terwijl daar in het verleden onvoldoende voor is gespaard. Met dit
onderhandelaarsakkoord wil de FNV voorkomen dat als gevolg hiervan ook de pensioenpremies
steeds verder stijgen.

Daarnaast kampen pensioenfondsen ook met problemen als gevolg van de kredietcrisis en de eurocrisis. Die problemen zijn hiermee niet opgelost. Wij willen dat pensioenfondsen er wel voor zorgen dat ze dergelijke crises beter opvangen. Het risico is anders dat werknemers en gepensioneerden ineens te maken krijgen met verlaging van hun rechten of
uitkeringen (afstempelen). De pensioenfondsen moeten daarover vóór 2012 afspraken maken.

Als de crisis aanhoudt, blijft het risico van afstempelen bestaan. Goed rendement van beleggingen is heel belangrijk om pensioenen betaalbaar te houden.

We betalen met elkaar nu al zo’n 20 procent van de loonsom voor onze oudedagsvoorziening. We
werken nu dus al een dag per week voor de oudedagsvoorziening. Om de stijgende
levensverwachting bij te houden, zouden forse premieverhogingen nodig zijn, met flinke gevolgen.
Het almaar verhogen van de pensioenpremie leidt er namelijk toe dat mensen een steeds groter deel van de week aan het werk zijn voor hun pensioen, met gevolgen voor de koopkracht van mensen.

Verder is pensioen een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon). In cao-onderhandelingen maken vakbonden afspraken over bijvoorbeeld loonsverhoging, werkgelegenheid, maar ook over de pensioenpremie.

Verhogen van de premie gaat dus ten koste van de ruimte voor een loonsverhoging
of werkgelegenheid. Pensioen is heel belangrijk, maar werkgelegenheid en koopkracht voor vandaag en morgen ook.