De grootste vakbond in de publieke sector

Veelgestelde vragen  

AOW-akkoord

Als gevolg van de vergrijzing en de stijgende levensverwachting genieten steeds meer mensen steeds langer van hun AOW-uitkering. De AOW-kosten lopen dus flink op. Maar door de economische crisis heeft de overheid juist minder geld te besteden. Het vorige kabinet heeft de plannen om in te grijpen al naar de Tweede Kamer gestuurd. De plannen van de meeste politieke partijen zijn zelfs nog slechter. AOW op 65 wordt voor vrijwel iedereen onmogelijk als het aan de politiek ligt. Daarnaast kon je ook fors minder pensioen opbouwen door het kabinetsplan, omdat belastingvrij sparen voor pensioen flink werd beperkt.

Werknemers en werkgevers stonden voor de keuze: laten we het over aan de politiek of komen we met eigen voorstellen? Uiteindelijk hebben we besloten om zelf met afspraken te komen over AOW en aanvullend pensioen. Deze afspraken zijn gunstiger voor werknemers en gepensioneerden, omdat ze zorgen voor meer zekerheid op de lange termijn.

Winstpunt in het akkoord van vakbeweging en werkgevers is dat de AOW flexibelwordt. Mensen kunnen, vanaf 65 jaar, zelf kiezen wanneer ze stoppen met werken. Bovendien wordt de AOW welvaartsvast: voortaan koppelen we de AOW aan de verdiende lonen en niet aan de contractlonen. Dat betekent dat de AOW-uitkeringen elk jaar stijgen met 0,6 procent extra. Het verdiende loon stijgt sneller, omdat promoties en periodieken meetellen. Deze koppeling is dus extra gunstig voor de mensen voor wie na hun pensionering de AOW het belangrijkste inkomen is.

Iedereen kan nu en in de toekomst met 65 de AOW-uitkering in laten gaan. Dat mag je zelf bepalen, vanaf 65 jaar. Wel gaat de AOW-normleeftijd in 2020 omhoog naar 66. Daarna vindt iedere vijf jaar een aanpassing plaats op basis van de nieuwste inzichten in de levensverwachting.

Op basis van wat we nu weten zal dat in 2025 waarschijnlijk al 67 jaar zijn, maar dat wordt 10 jaar van tevoren (dus in 2015) vastgesteld. In 2020 wordt er dan gekeken naar de levensverwachting in 2030 en als we met ons allen steeds maar ouder blijven worden, is het zelfs mogelijk dat de AOW-normleeftijd naar 68 gaat. Maar ook dan kan iedereen nog steeds op 65 een AOW-uitkering krijgen.

Kijk wat het principeakkoord AOW en pensioenen voor jouw AOW betekent.

Ja, omdat je eerder dan de geldende normleeftijd de AOW-uitkering in wilt laten gaan, moet de overheid jouw AOW-uitkering langer uitbetalen. Dat wordt betaald door je maandelijks een 6,5 procent lagere AOW-uitkering te geven. Daarom krijg je per maand iets minder. Maar omdat de jaarlijkse verhoging straks gekoppeld is aan de werkelijk verdiende lonen en niet aan de cao-lonen zoals nu het geval is, wordt de korting naar verwachting voldoende gecompenseerd. 

Kijk wat het principeakkoord AOW en pensioenen voor jouw AOW betekent.

Nee, niet allemaal. De onzekerheid voor de kosten voor pensioenfondsen als gevolg van het gegeven dat we mogelijk in de toekomst nog langer leven dan verwacht wordt met dit akkoord voorkomen. De pensioenpremies kunnen als gevolg hiervan niet meer stijgen.
Wel worden de pensioenen steeds  gevoeliger voor schommelingen op de financiële markten. Daarom gaan sociale partners de pensioencontracten zodanig aanpassen dat de pensioenen hier schokbestendiger voor worden. De gewenste zekerheid voor de deelnemers wordt verkregen door het nastreven van realistische (indexatie- en zekerheids) ambities. Het risico profiel van de beleggingsmix van een pensioenfonds wordt hier op afgestemd. Daarnaast komt er een reserve om financiële klappen op te vangen. Pensioenregelingen kunnen met het akkoord trendmatiger reageren op schommelingen op financiële markten. Onderdeel daarvan wordt een expliciete indexatiestaffel voor goede en slechte tijden. Slechte tijden kunnen van invloed zijn op de hoogte van het pensioen en omgekeerd. Wel komt er een voldoende lange periode om eventuele schokken op te kunnen vangen. Dit noemen we een rendementsaanpassingsmechanisme. Dit mechanisme voorkomt dat economische schokken direct worden doorvertaald in onverwachts snel stijgende of snel dalende pensioenuitkeringen. Het risico op zich blijft wel aanwezig.

We betalen met elkaar nu al zo’n 20 procent van de loonsom voor onze oudedagsvoorziening. We werken nu dus al een dag per week voor de oudedagsvoorziening. Om de stijgende levensverwachting bij te houden, zouden forse premieverhogingen nodig zijn, met flinke gevolgen. Het almaar verhogen van de pensioenpremie leidt er namelijk toe dat mensen een steeds groter deel van de week aan het werk zijn voor hun pensioen, met gevolgen voor de koopkracht van mensen.

Verder is pensioen een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon). In cao-onderhandelingen maken vakbonden afspraken over bijvoorbeeld loonsverhoging, werkgelegenheid, maar ook over de pensioenpremie. Verhogen van de premie gaat dus ten koste van de ruimte voor een loonsverhoging of werkgelegenheid. Pensioen is heel belangrijk, maar werkgelegenheid en koopkracht voor vandaag en morgen ook.

Je wordt 65 in het jaar dat de AOW-normleeftijd omhoog gaat naar 66 jaar. Je kunt jouw AOW-uitkering in laten gaan wanneer je 66 wordt. Als je werkt en je wilt doorwerken tot 66 jaar, dan kan jouw baas je niet automatisch op 65 ontslaan; je hebt de keus.

Laat je op 66 jaar de AOW-uitkering ingaan, dan krijg je een AOW die al 9 jaar extra is verhoogd. De koopkracht van jouw AOW is dan hoger dan nu. Je kunt ook nog steeds op 65 jaar de AOW-uitkering in laten gaan. Dan ontvang je een AOW-uitkering die levenslang 6,5 procent lager is dan die van jouw buurvrouw die op 66 jaar de AOW-uitkering in laat gaan. Daar staat wel tegenover dat jij gemiddeld een jaar langer de AOW-uitkering krijgt dan je buurvrouw.

Toch is het de verwachting dat de AOW-uitkering op 65 jaar in 2020 evenveel is als een volledige uitkering dat is in 2010. Voor de lagere inkomens handhaven we de gunstige belastingmaatregelen, zodat hun totale koopkracht op peil blijft en er zelfs op vooruit kan gaan.

Voor het aanvullend pensioen heb je dertig jaar opgebouwd volgens je huidige regeling met pensioen op 65 en gedurende tien jaar volgens de nieuwe regeling. Je moet waarschijnlijk zes tot acht weken langer doorwerken om het volledige pensioen van vandaag te kunnen krijgen. Maar dat hangt nog af van de precieze afspraken in je eigen pensioenfonds.

Kijk wat het principeakkoord AOW en pensioenen voor jouw AOW betekent.

De vakbonden hebben samen met werkgevers het beheer over het geld in de pensioenfondsen. We zitten met een probleem rond de huidige en toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen. We moeten steeds meer pensioengeld uitkeren omdat mensen steeds ouder worden. Dat is goed nieuws, maar het betekent wel dat we langer AOW en aanvullend pensioen genieten. Langer dan aanvankelijk verwacht en waarvoor is gespaard.

De premies willen we niet verder laten stijgen, want dat kost mensen teveel in koopkracht en werkgelegenheid. Wanneer we nu niets doen en de pensioenen volledig met de welvaart willen laten stijgen, dan zouden we twee dagen per week moeten werken voor ons pensioen, met grote gevolgen voor de koopkracht van mensen.

Verder is in de loop der jaren het gespaarde pensioenvermogen enorm gegroeid. Tegelijkertijd nemen de schommelingen op de financiële markten en op het rendement van ensioenbeleggingen toe. In het verleden konden we het feit dat mensen langer leven en tegenvallende rendementen nog compenseren door premieverhogingen. Tegenwoordig heeft het premie-instrument steeds minder effect en dat wordt door de vergrijzing alleen nog maar minder. Daarom zijn de inkomsten van de pensioenfondsen grotendeels afhankelijk van de rendementen uit de beleggingen. De huidige financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat de inkomsten uit beleggingen flink tegen kunnen vallen.

Veel pensioenfondsen staan er inmiddels beter voor dan een jaar geleden, omdat de aandelenkoersen zich enigszins hebben hersteld. Maar mensen worden nog steeds ouder dan vroeger en genieten langer pensioen. De pensioenverplichtingen stijgen daardoor. Ook moeten we rekening blijven houden met te verwachten schommelingen op de financiële markten zonder dat we hier via de premies veel aan kunnen doen. De opbrengsten uit de beleggingen zijn niet zo zeker als in het verleden werd gedacht. De politiek, maar zeer zeker ook Abvakabo FNV, wil daarom dat er meer zekerheid wordt ingebouwd in de pensioenen. Een financiële crisis kan het pensioenstelsel dan niet teveel aantasten.

Een andere belangrijke reden dat de pensioenen ook meegenomen zijn: het kabinet wilde óók gaan ingrijpen in de pensioenen. Bijvoorbeeld door bepaalde belastingvoordelen af te schaffen. Door deze plannen zouden met name mensen met een laag inkomen er zo op achteruit gaan, dat er geen enkele mogelijkheid zou zijn om toch op 65 de AOW-uitkering in te laten gaan en te stoppen met werken. Door als sociale partners zelf met alternatieven te komen, willen we voorkomen dat het kabinet op ons terrein, de pensioenen, zou ingrijpen.

Deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat we zijn gaan nadenken over de toekomst van de pensioenen.

De vakcentrales, waaronder FNV, en de werkgevers sloten in maart 2010 een AOW- en pensioenakkoord. Dit was een akkoord op hoofdlijnen dat nader uitgewerkt moest worden.
De FNV en andere vakcentrales hebben samen met de werkgevers sinds maart 2010 veelvuldig gerekend, getekend en geschrapt om het akkoord verder uit te werken. In februari 2011 kwamen de eerste conceptteksten van deze uitwerking naar buiten. De teksten baarden Abvakabo FNV, FNV Bondgenoten en FNV Bouw, zorgen. De drie grootste bonden lasten een adempauze in.

In de conceptteksten leken steeds meer risico’s bij werknemers en gepensioneerden te worden neergelegd. Dat was voor de bonden niet acceptabel. Wanneer beleggingsresultaten van de pensioenfondsen tegenvallen, is dat een risico voor werkgevers en werknemers en daar moeten zij samen verantwoordelijkheid voor nemen.

Daarmee waren nog niet alle discussies van tafel. Alle FNV-bonden willen namelijk een goede balans tussen koopkrachtbehoud en zekerheid. Hoe die balans er precies uitziet, bleek een dilemma te zijn voor de FNV. Abvakabo FNV en de meeste FNV-bonden willen graag dat de pensioenen snel weer geïndexeerd worden. Dat betekent dat de pensioenen van werkenden en gepensioneerden worden aangepast aan de gestegen lonen. Je kunt dan hetzelfde blijven kopen als het jaar ervoor ondanks het feit dat de prijzen zijn gestegen.

Om de pensioenen te kunnen indexeren en daardoor koopkrachtbehoud te realiseren, is het nodig te beleggen op de beurs. Het rendement op alleen spaargeld is onvoldoende. Beleggingen leveren een hoger rendement, maar bieden minder zekerheid.

Als een pensioenfonds toch harde beloftes wil doen, kan er minder belegd worden. De wet zegt namelijk dat een pensioenfonds grote buffers met geld moet aanleggen voor het maken van beloftes. Al dat geld in die buffers kan niet worden belegd en levert dus ook geen inkomsten op.

Door minder harde toezeggingen te doen, blijft er meer vrijheid om te kunnen beleggen en meer rendement te ontvangen. Daardoor kan dan ook sneller worden geïndexeerd en blijft de koopkracht op peil, zonder dat de risico’s te groot worden.

FNV Bondgenoten koos in de discussie voor meer zekerheid, terwijl de andere bonden vonden dat de pensioenen snel geïndexeerd moesten worden. Uiteindelijk staat nu in het principeakkoord dat de pensioenfondsbesturen (waarin ook de vakbonden zijn vertegenwoordigd) zelf een keuze kunnen maken hoe de balans tussen indexatie en zekerheid eruit komt te zien.

Iedereen leeft langer. De ouderen van vandaag worden gemiddeld ouder dan hun ouders. Dat is mooi, maar dat kost de pensioenfondsen veel geld, omdat zij het pensioen langer moeten uitkeren. Daarvoor is in het verleden nooit gespaard.

Tot nu toe konden de rendementen (winsten uit beleggingen) van de pensioenfondsen dit opvangen. Maar nu de levensverwachting sneller stijgt en de rendementen van de fondsen op lange termijn iets lager lijken te worden, zullen we de hogere kosten met zijn allen moeten delen. Dat gebeurt al doordat pensioenfondsen soms niet kunnen indexeren (pensioen aanpassen aan prijs- en loonsverhogingen).
In de toekomst zal dat wellicht vaker gebeuren als de fondsen niet én de kosten van de stijgende levensverwachting én de kosten van de indexatie uit de rendementen kunnen betalen. De pensioenuitkering van ouderen zal daardoor soms minder snel stijgen.

Gelukkig is wel afgesproken dat de AOW al in 2011 juist sneller gaat stijgen, zodat het totale effect op de koopkracht beperkt zal zijn, zeker voor lager betaalden. Voor hen is de AOW een veel groter gedeelte van hun inkomen dan het aanvullend pensioen.

Voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) is het een voordeel als de AOW met de welvaart meestijgt en flexibel wordt. Verder hebben veel zzp’ers in het begin van hun loopbaan als werknemer pensioen opgebouwd. Zij hebben er dus ook belang bij dat pensioenfondsen in rustiger vaarwater komen.